facebook van ziekte en invaliditeit VZW Hartziekte op twitter

 

 

"Allergie, immuunsysteem, zonneallergie ”

Een allergie is een verkeerde reactie van ons lichaam op bepaalde stoffen, de allergenen genaamd. Deze stoffen zijn normaal gezien onschadelijk en ons lichaam reageert er dan ook meestal goed op.

    Stel uw vraag op het nieuwe forum: gezondheid Kronika

Favoriete rubrieken

Borstvergroting tips

Borstvergroting

mooi gebit

Tandverzorging

Hartziekten

invaliditeitsuitkering

Uitkeringen

Anorexia

Anorexia

Soorten kanker

maagzuur, reflux

Maagzuur

Verslaving

 

 

Allergie

 

Geneesmiddelenallergie

Geneesmiddelenallergie

Verschillende soorten geneesmiddelen kunnen een allergische reactie veroorzaken. De meest gekende zijn penicilline en andere antibiotica.

 

Tip

Ben je allergisch voor bepaalde geneesmiddel, steek dan een kaartje bij je identiteitskaart os Sis-kaart. Dit helpt wanneer je dringend een bepaald geneesmiddel moet toegediend krijgen.

 

 

 

Klachten

 

• piepende ademhaling

• hoest
• kortademigheid
• jeuk over het ganse lichaam
• huiduitslag
• shocktoestand

Behandeling


Behandeling gebeurt via medicatie. Bij shocktoestand is een adrenaline-injectie aangewezen.

 

veel mensen denken allergisch te zijn voor geneesmiddelen, maar slechts bij een minderheid kan de diagnose geneesmiddelenallergie gesteld worden. het uitsluiten van een geneesmiddelenallergie is belangrijk voor een patiënt om te voorkomen dat het gebruik van bepaalde geneesmiddelen ten onrechte als gevaarlijk beschouwd wordt. Type I en Iv allergische reacties volgens Gell en coombs komen het frequentst voor.

 


De diagnostiek van allergische reacties op geneesmiddelen wordt bemoeilijkt door het feit dat voor de meeste geneesmiddelen geen gestandaardiseerde diagnostische methoden beschikbaar zijn en dat van de meeste beschikbare methoden de voorspellende waarde van positieve en/of negatieve tests niet bekend is. hoekstenen van de diagnostiek blijven de anamnese en lichamelijk onderzoek.


Inleiding Naar schatting 15% van de mensen denkt allergisch te zijn voor ten minste 1 geneesmiddel. Aangezien sommige verschijnselen van een allergische reactie niet specifiek zijn, is het onderscheid met een niet-allergische bijwerking soms moeilijk, waardoor patiënten vaak het idee hebben allergisch te zijn voor een geneesmiddel. Allergologisch onderzoek kan echter bij het merendeel van hen een geneesmiddelenallergie uitsluiten.

 

Het aantonen van een geneesmiddelenreactie is moeilijker. Goede onderzoeken naar de incidentie en de prevalentie van allergische reacties op geneesmiddelen zijn schaars. Afhankelijk van de onderzochte populatie en de definitie variëren de incidentie en prevalentie van geneesmiddelenallergieën van minder dan 0,5 tot 5%.2 Kenmerkend voor een allergische reactie is dat het afweersysteem het geneesmiddel moet leren herkennen en dat een geheugen voor het betreffende geneesmiddel wordt opgebouwd. De sensibilisatieperiode duurt 1-3 weken. In deze periode worden geneesmiddelen en/of geneesmiddelmetabolieten in de context van HLA op antigeenpresenterende cellen aan T- en B-lymfocyten gepresenteerd. Deze rijpen vervolgens uit tot effector- en memorycellen. De blijvende herkenning door het afweersysteem leidt ertoe dat bij een volgende blootstelling minieme hoeveelheden geneesmiddel voldoende zijn om de allergische verschijnselen weer te doen optreden.

 

Hoe lang een allergie blijft bestaan, is niet bekend. Deze gangbare theorie staat echter ter discussie omdat bij een deel van de patiënten met een geneesmiddelgeïnduceerde anafylactische reactie geen voorgaand contact met het betreffende geneesmiddel kan worden gedetecteerd. Mogelijk zijn sommige geneesmiddelen in staat direct immunologische effectorcellen te activeren zonder de klassieke sensibilisatieperiode.

 

Zie uitgebreide tekst en uitgevoerde onderzoeken onderaan

 

 

 

Soms leidt geneesmiddelengebruik tot verschijnselen die passen bij een allergische reactie, zonder dat betrokkenheid van het immuunsysteem kan worden aangetoond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pseudoallergie Soms leidt geneesmiddelengebruik tot verschijnselen die passen bij een allergische reactie, zonder dat betrokkenheid van het immuunsysteem kan worden aangetoond. Een voorbeeld hiervan is astma of urticaria geïnduceerd door het gebruik van NSAID’s.

Geneesmiddelspecifiek IgE is hier niet aan te tonen en in deze gevallen spreekt men van een pseudoallergie.


risicofactoren voor geneesmiddelenallergie Sommige geneesmiddelen geven vaker aanleiding tot allergische reacties dan andere. Zo blijken β-lactamantibiotica, in het bijzonder de aminopenicillines en cefaclor, relatief vaak aanleiding te geven tot allergische reacties.

Andere, patiëntgerelateerde, risicofactoren zijn: leeftijd, het vrouwelijke geslacht, frequent geneesmiddelengebruik en het hebben van een virale infectie (hiv, epstein-barrvirus (EBV)).

Sommige specifieke geneesmiddelenreacties blijken vooral op te treden bij mensen met een bepaalde HLA-typering (HLA-B*5701 en abacavirovergevoeligheid, HLA-B*1502 bij Han-Chinezen en SJS door carbamazepine).


Diagnostiek Er zijn 2 belangrijke redenen om vast te stellen of een reactie op een geneesmiddel van allergische aard is. Hernieuwde blootstelling aan een geneesmiddel waarvoor men allergisch is, kan tot hernieuwde (soms ernstigere) klachten leiden en moet dus vermeden worden. Wanneer meerdere geneesmiddelen in het spel zijn, leidt het vermijden van alle mogelijk betrokken geneesmiddelen tot ongewenste beperking van het beschikbare arsenaal aan geneesmiddelen.


De anamnese speelt een belangrijke rol bij het vaststellen van een mogelijke allergische reactie. Er moet gevraagd worden naar de aard van de klachten en hun relatie in de tijd met de gebruikte geneesmiddelen. Zowel de korte termijn (hoelang na het innemen van het geneesmiddel ontstonden de eerste klachten) als de lange termijn (hoelang wordt het geneesmiddel al gebruikt) is hierbij belangrijk. De meeste allergische reacties op geneesmiddelen ontstaan binnen 3 maanden na start van het gebruik.

Risicofactoren (het eerder doorgemaakt hebben van een geneesmiddelenreactie, frequent geneesmiddelengebruik) en comorbiditeit (met name infecties ten tijde van de reactie) dienen natuurlijk te worden uitgevraagd. Het lichamelijke onderzoek is gericht op het uitsluiten van andere verklaringen van de klachten en op het classificeren van de aard van de allergische reactie. Dit is ook van belang omdat bij type II en III allergische reacties geen methoden bestaan die de diagnose allergie nog kunnen bevestigen wanneer de allergische reactie verdwenen is. In de acute fase kunnen een indirecte Coombs of het bepalen van complementactivering (verlaagd C4) aanwijzingen zijn voor respectievelijk een type II of III allergische reactie. Het gebruik van alle verdachte geneesmiddelen moet altijd gestaakt worden en de klachten dienen behandeld te worden. Verdere diagnostiek kan pas plaatsvinden vanaf 6 weken na de acute reactie, omdat kort na de reactie de uitslag van het aanvullend onderzoek vaak fout-negatief is.


aanvullend onderzoek De aanvullende diagnostiek van een geneesmiddelenallergie is gebaseerd op het vaststellen van de aanwezigheid van geneesmiddelspecifieke antilichamen of T-lymfocyten.

Een belangrijk probleem hierbij is dat slechts van enkele geneesmiddelen bekend is welk deel van het molecuul of de metabolieten verantwoordelijk is voor de allergische reactie. Deze informatie zou de ontwikkeling van specifieke diagnostische tests vergemakkelijken. Bij huidverschijnselen kan een biopt aanwijzingen geven voor de aard van de aandoening.


specifiek-Ige Type I allergische reacties worden gemedieerd door geneesmiddelspecifiek IgE. Voor enkele geneesmiddelen (penicilline, amoxicilline en insuline) is het mogelijk specifiek IgE te laten bepalen. Tot 6 weken na de acute reactie kan het IgE ten onrechte niet in het bloed aantoonbaar zijn. In de loop van de tijd verdwijnt geneesmiddelspecifiek IgE weer uit de circulatie wat tot fout-negatieve uitslagen leidt. Bij 60-95% van de patiënten met een positieve huidtest voor penicillines blijkt met behulp van een RAST specifiek IgE aantoonbaar te zijn, maar omdat deze patiënten niet geprovoceerd zijn met het betreffende penicilline zijn de positief- en negatief-voorspellende waarden niet bekend.11 Van een andere bepalingsmethode van penicillinespecifiek IgE, de Immuno-CAP, is de positief voorspellende waarde 95%.12 De klinische relevantie van insulinespecifiek IgE is gering omdat dit wordt aangetroffen bij een kwart van de patiënten die met humaan insuline behandeld worden.


huidtests Type I en IV allergische reacties kunnen worden aangetoond door middel van huidtests, uitgevoerd door allergologen of dermatologen. Percutane en intracutane huidtests worden uitgevoerd met het geneesmiddel in oplossing (commercieel preparaat) op de binnenzijde van de onderarm. Bij de percutane huidtests (in de Engelstalige literatuur ‘skin prick test’ genoemd) wordt met een bloedlancet door een druppel oplossing in de huid geprikt. Intracutane huidtests worden uitgevoerd door middel van injecties met 0,02-0,05 ml van oplopende concentraties van het geneesmiddel. De tests worden na 20 (percutaan) of 30 minuten (intracutaan) beoordeeld: een positieve huidtest vertoont een kwaddel en roodheid, groter dan die bij de negatieve controle en minstens 3 mm (percutaan) of 10 mm (intracutaan) in diameter. Type IV allergische reacties kunnen worden bevestigd met behulp van epicutane huidtests of plakproeven. Hierbij wordt het geneesmiddel, als poeder in vaseline of in oplossing, op de huid aangebracht en 2 dagen onder occlusie gehouden. Na 72 uur vindt de beoordeling plaats. Positieve reacties uiten zich als een lokale induratie met papels, roodheid en soms zelfs vesikels. Was de oorspronkelijke reactie een AGEP dan kunnen bij de huidtest ook pustels ontstaan. Ook intracutane tests kunnen bij een type IV allergische reactie na 72 uur een positieve reactie vertonen. Epicutane tests kunnen het best worden uitgevoerd binnen 6 maanden na de allergische reactie omdat niet bekend is hoelang de cutane reactiviteit blijft bestaan.

Epicutane huidtests kunnen positief zijn bij diverse allergische reacties die zich geuit hebben als huidreacties, inclusief het DHS. Een positieve huidtest leidt tot de diagnose allergie, de voorspellende waarde van een negatieve huidtest is niet bekend. Afhankelijk van het geneesmiddel trad bij 1030% van de patiënten met een negatieve huidtest toch een allergische reactie op bij orale provocatie.

De betrouwbaarheid van huidtests met geneesmiddelen is alleen voor de β-lactamantibiotica goed gedocumenteerd.

Voor alle overige geneesmiddelen geldt dat in de literatuur verschillende testprotocollen beschreven zijn en dat de frequentie van fout-positieve en fout-negatieve reacties vaak niet bekend is.

 

Geneesmiddelenprovocatietest Het uiteindelijke bewijs voor de aanwezigheid van een geneesmiddelgeïnduceerde allergische reactie is het terugkeren van de oorspronkelijke klachten na hernieuwde blootstelling aan het geneesmiddel.

Geneesmiddelenprovocatietest Het uiteindelijke bewijs voor de aanwezigheid van een geneesmiddelgeïnduceerde allergische reactie is het terugkeren van de oorspronkelijke klachten na hernieuwde blootstelling aan het geneesmiddel.

Deze provocatie wordt uitgevoerd wanneer onduidelijkheid bestaat over de diagnose én wanneer het geneesmiddel noodzakelijk is voor een goede behandeling van de patiënt en geen alternatieven voorhanden zijn. Voor pseudoallergische reacties zijn geen huidtests beschikbaar en is een provocatietest momenteel de enige diagnostische mogelijkheid.

Bij patiënten met ernstige reacties zoals anafylactische reacties, SJS, TEN, AGEP of DHS is een provocatietest te gevaarlijk. Bij een geneesmiddelenprovocatietest wordt het betreffende geneesmiddel onder klinische observatie met tussenpozen in oplopende dosis toegediend via orale of intraveneuze weg. Niet zelden kan de diagnose geneesmiddelenallergie na deze procedure verworpen worden. Een groot Frans onderzoek waarin geneesmiddelprovocatietests werden uitgevoerd bij 898 patiënten die verdacht waren voor een type I allergische reactie op een geneesmiddel en bij wie huidtests negatief waren, toonde slechts 18% positieve reacties. Dit percentage varieerde van 8% voor de β-lactamantibiotica tot 47% voor aspirine.


conclusie

 

De diagnostische methoden voor geneesmiddelenallergie zijn nog verre van volmaakt. Op dit moment zijn een anamnese en lichamelijk onderzoek in de acute fase nog de hoekstenen van de diagnose. Verdere ontrafeling van de risicofactoren en de immunologie van geneesmiddelenallergie zal in de toekomst mogelijk de diagnostiek kunnen verbeteren.

 

 

4
Als aan mensen gevraagd wordt wat voor hen het belangrijkste is in het leven, antwoorden de meesten ‘gelukkig zijn’. Maar wat betekent het? Enerzijds is geluk verschillend maar anderzijds ook gelijk voor iedereen. Geluk is de mate waarin je plezier in het leven hebt. lees meer
4
Hoe groot is uw risico op hospitalisatie?

Vroeg of laat ontsnapt niemand aan een hospitalisatie, ook u niet. De kans dat u in het ziekenhuis terechtkomt, is 1 op 6. Hoe ouder u wordt, hoe groter het risico. lees meer

4

Hier vind je duidelijke informatie over jouw concrete situatie.
Adressen en links maken je wegwijs in diensten die je kunnen helpen.
Klik door naar de rubrieken en thema's in het linkermenu of zoek op trefwoord. Heel handig om snel iets op te zoeken.Lees meer

4
Deze website biedt u toegang tot de publicaties van de Vlaamse overheid. U kunt publicaties opzoeken en aanvragen. Publicaties die elektronisch beschikbaar zijn, kunt u downloaden.De lijst bevat een overzicht van de publicaties die werden uitgegeven. Lees meer